De moed opbrengen om steeds weer opnieuw geboren te worden: dat wil ik leren.
Iedere ochtend niet-wetend wakker worden: met een woud aan herinneringen, beelden en inzichten, maar zonder enige binding daaraan, zonder conclusies te trekken uit deze herinneringen, of ze hoe dan ook te projecteren op het heden. Gisteren is immers slechts een herinnering, een fabricaat van het geheugen, en de toekomst: ach, resultaten uit het verleden bieden echt geen enkele waarborg voor de toekomst…

Kan ik dan helemaal leeg in het huidige moment staan?
Natuurlijk breng ik een erfenis mee uit het verleden.
Mijn zintuigen, de poorten van mijn contact met de wereld, zijn het resultaat van miljarden jaren oorzaak en gevolg. Dat ik zie (hoor, ruik, voel, proef en denk) en hoe ik zie (etc.), dat is het resultaat van die evolutie, en van het topje van die ijsberg dat ik mijn leven noem. Dat is de erfenis die ik in het heden breng.

Maar ik wil mezelf niet zien als een patroon dat gedoemd is zichzelf te herhalen.
In mij is een wil werkzaam die steeds naar open ruimte zoekt, die onafhankelijk van het verleden wil zien, en vanuit die onafhankelijkheid wil handelen. Maximale vrijheid verwerven om vanuit die wil te werken, dat is waar mijn leven om draait.

Boeddhisten spreken vaak over bodhicitta, leven vanuit het hart van de Boeddha.
Psycholoog, schrijver en leraar Han de Wit vertaalt dat in ‘leven vanuit “fundamentele menselijkheid”’: de ervaring van aangeboren levensmoed, levensvreugde, compassie en heldere nieuwsgierigheid. Daarnaar iedere keer opnieuw te zoeken: dat is het pad.

Literatuur:

1. ‘De verborgen bloei’, Han F. de Wit, 1993
2. ‘Het open veld van de ervaring’, zelfde schrijver, 2008